Bewoners van ReVa Groen en Duurzaam Cultuur, Sport en Religie Zorg, Hulp en Welzijn Veiligheid en Verkeer Wonen, Leren en Werken Gemeente en Politiek Geschiedenis van ReVa

Mensje van Keulen over het Regentesse- en Valkenboskwartier

weimarchief logo

“… zo koud dat de washandjes braken …”

“Ik ben niet van plan m’n hele leven op kantoor te zitten en dood te gaan in de Galileïstraat.” Aldus Willem Bleeker, de hoofdpersoon in Bleekers zomer (blz. 55), de roman waarmee Mensje van Keulen in 1972 haar daverende romandebuut maakte in de Nederlandse letteren. Ik las het boek kort na verschijnen, toen ik in Groningen woonde, uiteraard onwetend van het feit dat ik zoveel jaren later zelf kwam te wonen in de buurt die Van Keulen zo overtuigend wist te beschrijven. En ook in veel van de romans en korte verhalen die zouden volgen, wordt Den Haag in het algemeen, en deze buurt en haar bewoners in het bijzonder, trefzeker maar met mededogen neergezet. Van Keulen zelf heeft daar ooit over geschreven dat het ondoenlijk is om per titel na te gaan wat er aan de hand van locaties, fragmenten, personages en sfeer, Haags aan is. In dit artikel doe ik een poging, aan de hand van een aantal voorbeelden (maar het beste is natuurlijk om zelf de boeken te lezen!).

Maar eerst terug naar Bleekers zomer, waar het allemaal mee begon. Willem Bleeker, getrouwd, kind, is niet gelukkig en wil een ander leven. Hij reist naar zijn geboortestad Amsterdam, maar keert na twee dagen alweer terug naar Den Haag, eerst naar Scheveningen (“Over de boulevard rolde ‘n stuk papier, dat met een ruk werd opgenomen en blindelings op en neer vloog tot het tegen een lantaarn klapte. Ook hier alles uitgestorven”) (blz. 114/115).
Daar stapt hij op de tram, naar huis. “En ineens reden ze door de Edisonstraat en onbewust van het lampje dat reeds rood brandde voor de jongen die in het Regentessebad moest wezen, drukte hij op de stopknop.” (blz. 117)

Dat is vlakbij de Fultonstraat, de straat waar Mensje van Keulen opgroeide. Zij werd op 10 juni 1946 geboren als Mensje (roepnaam Mennie) Francina van der Steen en is dus onlangs tachtig geworden. Ze wordt geboren in het RK Ziekenhuis op de Zuidwal. Haar ouders wonen in bij haar grootouders, in de Mackaystraat. Na een korte periode in de van Neerstraat verhuist het gezin naar Fultonstraat 165 (“een donker benedenhuis met een tuin die weinig voorstelde”).
Ze beschreef die straat ooit als “de boomloze, kinderrijke straat in de Uitvindersbuurt, waar ik vijftien jaar woonde. De vaders waren monteur, fietsenmaker, trompettist, politieagent, schilder, kunstschilder, taxichauffeur, vertegenwoordiger in horloges, slijter, klerk, nachtwaker, schoenmaker, baas van het Indisch eethuisje, zeeman, werkloze, dronkenlap. Naast de paar ongehuwde vrouwen die hun geld verdienden als verkoopster, onderwijzeres en barmeid, waren er de vrouw die met haar broer de slaapkamer deelde en de dame die in het kippenhok in haar door kruisbessen-struiken overwoekerde achtertuintje sliep en de woning liet aan kranten en oud papier. De moeders die thuis alles al deden en zonder wie niemand kon, gingen vaak ook nog ‘uit werken’, wat doorgaans voor poetsen en schrobben stond.”
(Dankwoord bij uitreiking Constantijn Huijgensprijs 2014)

Ze slaapt met haar jongere zus en broertje in de uitbouw, “die in de zomer zo heet was dat we ’s nachts stiekem via het raam in de tuin kropen en in de winter zo koud dat de washandjes braken als je ze, kromgevroren over de rand van de wastafel, rechttrok.” (kort verhaal Een dooie mus, in verhalenbundel Allemaal tranen uit 1972, blz. 87)

Ze wordt katholiek opgevoed, maar haar vader was gereformeerd. “Een heiden dus, volgens mijn oma, waar je voor moest bidden. Oma had bij mijn geboorte gedreigd mijn hoofd eraf te snijden als ik niet katholiek gedoopt werd. Hetzelfde lot zou later mijn broertje en zusje wachten als haar wil niet geschiedde. Ze was een vrome vrouw. Ze bad vast voor onze vader, niet wetend dat hij zelf ook op zijn manier bad. Voor hij ging slapen, knielde hij altijd voor een stoel, riep de hond: ‘Porky, Porky,’ en als de hond gearriveerd was, liet hij een wind.” (Jezus in de uitverkoop, in Allemaal tranen, blz.28)
Op Kerstavond gaat het hele gezin behalve de vader naar de nachtmis in de Agneskerk. “De priesters, de kerk, alles was prachtig versierd. Het koor van huisvaders leidde in en we zongen zo hard mogelijk mee. Er is een kindeke geboren op aard… Ogen werden vochtig en zoals altijd viel er iemand flauw. De moeilijke liederen zong het koor alleen. Het orgel klonk zo hard dat m’n lijf er slap van werd. Het hout van de bankjes trilde onder mijn billen. Ik dacht aan m’n goddeloze vriendjes en vriendinnetjes in de straat en werd verdrietig voor ze, want het orgel was zó mooi, dat Jezus wel moést bestaan. De mensen waren ernstiger dan op een gewone zondag. Bij de consecratie was de kerk doodstil en na de laatste gongslag merkte je hoe vol het was. Dan barstte er een gigantische hoestbui los”. (Jezus in de uitverkoop, in Allemaal tranen, blz. 26/27)
Een paar dagen later is het Oudjaar. “De straat werd verlicht door laaiende kerstbomen, autobanden en meubilair. Alle mensen waren wakker, liepen buiten rotjes en vuurpijlen af te schieten. Een bangerd hield zich afzijdig met Bengaals vuur, de kinderen die niet buiten mochten stonden achter de ramen.” (De fiets, in Allemaal tranen, blz. 7)
Ook in haar roman Van Lieverlede uit 1975 staat een beschrijving (blz. 57): “Al voor de klokslag van twaalven renden oudere jongens en kinderen met brandstof over straat. Bomen, die zojuist waren afgetuigd, stoelen, kussens, hout, kranten, en autobanden. Alles brandt. Een matras, traploper, tweepotig krukje, kapot speelgoed, de hele armetierige troep ging erop.”
En in De rode strik (1994) ten slotte verzucht de elfjarige Maria Talberg (blz. 87): “Rotjes, voetzoekers, gillende keukenmeiden, kanonslagen, vuurpijlen, honderdklappers, duizendklappers. Ik was bang voor vuurwerk. Een rotje in je gezicht, in je oog, in je haren, of in je mond, zoals bij een jongen uit Rijswijk die nu zelfs niet mee zachtjes boem! kon zeggen. Ik was bang maar ik hield ervan. Ik hield van het flitsen en sissen en de lucht van kruit. En ik hield van de nacht.”

Oma en Opa van moederskant wonen vlakbij, in de Mackaystraat, in een huizenblok dat na de herinrichting in dat deel van de buurt allang is verdwenen. “De voorkamer in de Mackaystraat heeft twee ramen. Mijn grootvader zit aan het linkerraam en ziet lijn elf aankomen die naar zee rijdt. Mijn grootmoeder zit aan het rechterraam en ziet de tram naar station Hollands Spoor gaan, maar ze kijkt vooral in het spionnetje dat zicht biedt op het drukke kruispunt van de Loosduinseweg.” (Olifanten op een web, 1997, blz. 114)
Door datzelfde spionnetje is haar grootmoeder ook getuige van het ongeluk waarbij Kassian Tarzan verongelukt, de Indische jongen op wie Mensje verliefd is (beschreven in het gelijknamige verhaal uit de bundel Allemaal tranen). Die had ze leren kennen via haar Indische buurmeisje Lilian. Hij werd Tarzan genoemd “omdat ie sterk was en de zitting van z’n motor met een plastic luipaardvelletje had bekleed.” Ze had hem ontmoet in het Zuiderparkpaviljoen, waar ’s zondagsmiddags achter gesloten gordijnen gedanst werd door allemaal Indische jongens en meisjes. Toen de Tielman Brothers het podium opkwamen had hij haar ten dans gevraagd… “Bij een langzaam nummer legde hij zijn armen om me heen en duwde me voorzichtig tegen zich aan. Hij vertelde dat ie van Ambon kwam en dat z’n moeder terugging als spijtoptante. Het weinige dat ie verder zei, verstond ik nauwelijks, en dat was niet omdat ie slecht Nederlands sprak of omdat de muziek zo hard was”. “Door z’n gezicht met gigantische kuif, z’n adem die op de grens van vies-naar-lekker naar knoflook rook, maar vooral door de lucht die onder z’n jasje vandaan kwam, was ik die middag in het paviljoen in ’n roes geraakt die ik weken erna thuis bij mezelf weer wist op te roepen door met gesloten ogen diep m’n neus op te halen bij m’n eigen oksels. Hij deed me de groeten via Lilian. Ze zei dat ie me weer wou zien.
De eerstvolgende zondag dat ’t goed weer was, omdat m’n vader zich dan op het voetbalveld bevond, zou ik weer meegaan naar het paviljoen. Maar twee zondagen achter elkaar regende het en vóór de derde zondag daar was, reed ie met z’n motor op het kruispunt van de Loosduinseweg tegen lijn elf. M’n oma, die in een zijstraatje overdag aan het raam zat en via het spionnetje op dit kruispunt keek, was direct naar buiten gegaan om te kijken.
‘Ik dacht: die jongen leeft nog want ik zag z’n voet heen en weer gaan. Was natuurlijk de stuip. Alleen de motor, die liep nog’.”

Mensje gaat natuurlijk naar de katholieke Heilig Hartschool. In De rode strik zit hoofdpersoon Maria Talberg in de zesde klas van de katholieke nonnenschool, waar ze les krijgt van de zusters uit het naastgelegen klooster. “We mochten daar nooit komen, behalve als je tien erekaarten voor goed gedrag had. Dan mocht je mee naar de kapel om de relikwieẽn te zien. De gangen waren daar veel mooier, schoon en schemerig, met fel rood en blauwe glas in lood. En het rook er naar boenwas en versgebakken koekjes.” (blz. 104/105)
Na schooltijd wordt er vaak buiten gespeeld. “We liepen naar het afvoerkanaal. Het was te laat om naar zee te lopen, over een uur moest iedereen eten. We bleven staan bij de gasfabriek, waar het water zwart was en dampte of het een kanaal in de hel was, Als je erin viel verloor je al je haar. En je zwom, tussen de ratten door, geheid tegen een lijk aan.” (blz. 69/70)
Op de avond van vier mei lopen de kinderen naar het kruispunt van de Beeklaan en de Laan van Meerdervoort, “waar van zes kanten het verkeer kwam. We wachtten vlak bij snackbar André. Kijken wie er om acht uur het eerst stopte. Kijken of er buitenlanders waren die er niks van snapten. Behalve Duitsers, dat was ze geraden. Maar bijvoorbeeld de B van België. De F van Frankrijk en de CH van Zwitserland moesten denken dat de hele stad ineens in de handen was gevallen van een andere planeet.
Er stopten drie tegelijk. Maar er kwam geen kettingbotsing. Op verschillende punten stonden mensen of ze niet meer lopen konden. De stoplichten bleven het doen. En de vogels, de vogels floten door. Je zou verwachten dat ze zouden zwijgen van verbazing om die rare stilte, maar het leek wel of ze om het hardst zongen.” (blz. 138)

In het verhaal Lijn elf (uit de bundel De lach van Schreck uit 1991) wordt de hele tramrit, van beginpunt Hollands Spoor tot het eindpunt in Scheveningen beschreven. Over dat verhaal schreef ze in 2010 in het Jaarboek van de Jan Camperstichting het volgende: “Ik schreef Lijn elf, deze rit door mijn jeugd, zo’n vijfentwintig jaar geleden. Er is ondertussen heel wat meer nieuwbouw neergezet in de Schilderswijk en de Transvaalbuurt en er is het nodige veranderd aan de bevolkingssamenstelling, maar de route van lijn 11 naar de eindhalte aan zee is dezelfde. Het is tevens een aardige route door mijn boeken, rekening houdend met de mogelijkheid dat er hier en daar even wordt overgestapt. Per titel nagaan wat er aan de hand van locaties, fragmenten, personages, sfeer, Haags aan is, is ondoenlijk. Het zou een lange rit worden (…….).”

Daarom nog een paar voorbeelden:
Hoofdpersoon Anton Hofman uit de roman Overspel uit 1982 woont in een zijstraat van de Groot Hertoginnelaan. Een citaat: “Op de Groot Hertoginnelaan waren de oude bomen gerooid en was de rijbaan verbreed. Sindsdien stroomde het drukke verkeer broksgewijs van het ene stoplicht naar het volgende en was het er voor de bewoners een onophoudelijke kermisboel.
Anton Hofman woonde in één van de zijstraten en hij zou, ondanks wat dan ook, graag achter zo’n brede pui aan de laan willen wonen. Door de herindeling mocht hij van één kant zijn straat niet meer inrijden en hij vond dat niet zozeer vervelend voor het omrijden, maar vooral omdat de straat, niet langer een verkeersader, er behoorlijk op was achteruitgegaan.”
(blz. 17/18)
Het verhaal Haagse dames speelt zich af in de toenmalige bibliotheekvestiging in de Newtonstraat (“De bibliotheek lag niet ver van de straat waar ik ben opgegroeid. Het soort huizen, de portieken, en zelfs de lucht, het was of ik terug was in de tijd. Er waren zo’n dertig dames die aandachtig luisterden, af en toe klonk een beschaafd of kort, aanstekelijk lachje.).
De hoofdpersonen uit de roman Liefde heeft geen hersens uit 2012 wonen en werken in een flat op de scheiding tussen het Regentessekwartier en Transvaal. “De weg die de twee wijken scheidt is een flinke verkeersader waar, op een speciale strook tussen het verkeer dat van twee kanten komt aangeraasd, bussen en trams rijden. Het geeft een gevoel een grens te passeren als je er oversteekt.” (blz. 44/45)

Een lange titellijst dus. Niet verbazingwekkend, want Mensje schrijft en tekent al van jongs af aan. In het huis in de Fultonstraat is daar eigenlijk geen plek voor. Ze snakt naar een eigen kamer. Op een dag, als ze zestien is, neemt haar moeder haar mee naar het huis van mevrouw Bordewijk, in de Noorderbeekdwarsstraat. Ze krijgt daar een eigen kamertje, waar ze voortaan elk vrij uur doorbrengt. “Twee ochtenden per week moet mijn moeder werken om een maand huur te betalen. Mijn leven lang zal ik haar daar dankbaar voor zijn. Ik open de deur, ruik de olieverf en haal diep adem.”
Dat valt te lezen in het autobiografische Olifanten op een web (blz. 150), een liefdevolle ode aan haar moeder, geschreven onmiddellijk na diens plotselinge overlijden in 1995. “Ze bewoonde een flat op de tweede verdieping van een gebouw dat aan de rand van het centrum ligt, vlak bij haar ouderlijk huis (bedoeld wordt de Groenesteinflat; het ouderlijk huis stond in de Mackaystraat). Het is een ruime, plezierige flat die aan de achterzijde uitziet op de twee machtige pijpen van de vuilverbranding, waar ik als kind een angstig ontzag voor had, maar die ik nu prachtig vond. Er reden nog altijd vuilniswagens met containers af en aan, maar het vuil werd sinds januari niet meer verbrand maar verder afgevoerd. Ze had me verteld dat er een plan bestond de pijpen af te breken om er een park met viswater aan te leggen dat ‘De Verademing’ zou gaan heten. We hadden erom gelachen en gehoopt dat de gemeente er niet het miljoen voor wilde uittrekken dat nodig was om het vuil eerst uit de grond te halen.” (blz. 26)

De Verademing bestaat inmiddels alweer meer dan 25 jaar, en Mensje van Keulen is gewoon door blijven schrijven. Onlangs verscheen Omgeslagen dagen. Dagboek 1983-1987.

Reacties: bijl23@xs4all.nl