Bewoners van ReVa Groen en Duurzaam Cultuur, Sport en Religie Zorg, Hulp en Welzijn Veiligheid en Verkeer Wonen, Leren en Werken Gemeente en Politiek Geschiedenis van ReVa

Kurt Schwitters en het Valkenbosplein

weimarchief logo

Het Valkenbosplein is tegenwoordig ook Cultuurplein. Dat roept bij mij associaties op met beeldend kunstenaar Kurt Schwitters (1887-1948), o.a. bekend van zijn collages. Want op één van die collages is prominent het woord alkenboschplein zichtbaar (de V is weggelaten). Te zien is een buskaartje (‘geldig voor een autobusrit’) alkenboschplein – Kijkduin (of omgekeerd!), van de Haagsche Tramweg-Maatschappij.

We schrijven 1926. Schwitters kwam in die jaren geregeld in Den Haag. In januari 1923 had hij meegedaan aan de fameuze Dada-veldtocht van Theo van Doesburg (1883-1931) (‘Dada: de schrik van den clubfauteuil-bourgeois’), waarbij hij met veel pathos en onder luid rumoer zijn beruchte klankdichten voorlas. ‘Het was een dolle cacaphonie van zinlooze woorden, dierlijke en ander onmenselijke geluiden, schaterlachen en uitroepen, door den “dichter” begeleid op zonderlinge instrumenten en met tromgeroffel’ aldus de Haagsche Courant.
En schrijver A. den Doolaard, toen nog bij zijn moeder in de Copernicusstraat wonend, herinnerde zich jaren later:
‘In Den Haag had ik op een avond Kurt Schwitters zijn dadaïstische verzen horen jodelen, koekeloeren en gakkeren. Ik begreep niet de ‘verzen’, maar wel hun noodzaak als reactie tegen een aderverkalkt estheticisme, maar ze betekenden de naakte terugkeer tot een primitief paradijs, waarin de boom der kennis was omgehakt en zelfs de dieren geen namen meer hadden. Als uiterste vereenvoudiging vormde Dada geen nieuw begin maar het barbaarse einde van een beschavingskringloop’.
Schwitters zelf was een heel andere mening toegedaan. ‘Ganz Holland ist jetzt DaDa, weil es immer schon DaDa war’.

Schwitters logeerde vaak bij van Doesburg in de Klimopstraat, maar in de zomer van 1926 verbleef hij bij zijn kunstbroeder Lajos d’Ebneth (1902-1982), in het pas gebouwde, door de architecten Bijvoet en Duiker ontworpen villapark Meer en Bos in Kijkduin. Dat was door de vele kunstenaars die er woonden inmiddels een soort kunstenaarskolonie. Het lag best ver van het centrum, en om er te komen nam Schwitters blijkbaar op het Valkenbosplein de bus naar Kijkduin. Dat was vaak nog een hele onderneming: men zei niet voor niks ‘Je komt er met een bus. Tenminste, als die onderweg niet blijft steken’.

Schwitters was een ‘bukker,’ een opraapkunstenaar. Hij verzamelde allerlei spullen op zijn dagelijkse zwerftochten, die hij vervolgens in zijn kunst verwerkte. Aan zijn bezoeken aan Den Haag hield hij veel tramkaartjes en ander drukwerk over. Die verwerkte hij vervolgens in collages met titels als ‘Eveningen’, ‘Geldig’, ‘Geldig voor één rit’, of ‘Reep”.
D’Ébneth schreef er later over: “Schwitters, gewapend met zijn grote rugzak, liep langs de zeekust en verzamelde de ’s avonds door de zee uitgespuwde voorwerpen van waarde, bestaande uit houten planken, touwen enz. en sleepte ze met grote inspanning naar huis’.
In een museum in Madrid zag ik ooit tot mijn grote verrassing een assemblage hangen genaamd Merzbild Kijkduin. En jawel hoor, gemaakt door Schwitters, samengesteld uit juttershout.

Schwitters was een eenmans-kunststroming met een eigen kunstbedrijf: Merz. Al zijn kunstwerken kregen dat predicaat (van Kommerz, een deel uit een advertentie van de Kommerz- und Privatbank in zijn geboorteplaats Hannover). Misschien niet geheel toevallig gekozen, want Schwitters was ook het prototype van de zakenman/kunstenaar, ver vóór latere kunstenaars annex zakenlieden als Andy Warhol en Jeff Koons. Schilderijen, assemblages en collages werden aldus Merzbilder, grote sculpturen noemde hij Merzbau. Ook in Kijkduin verrees er één, in de tuin van D’Ebneth, 2 ½ meter hoog, bekroond met een leeg vogelnest, door Schwitters Seemannsheim mit Bubikopf gedoopt. (De sculptuur verdween helaas meteen met de komst van de volgende eigenaar).

Kurt Schwittters collage ‘Geldig voor één rit’

De collagekunst had hij in Berlijn geleerd van een bevriende DaDa-kunstenaar: Hannah Höch (1889-1978). Die was een pionier van de fotomontages, samen met haar toenmalige minnaar Raoul Hausmann (1886-1971), voorman van de Berlijnse dadaïsten. Ze werd, als zovele vrouwelijke kunstenaars rond die tijd, door haar mannelijke collega’s amper serieus genomen. Zo werd ze door van Doesburg denigrerend aangeduid als ‘das tuchtige Klebebild-Mädchen”, oftewel het ijverige plakplaatje-meisje. Höch was opgeleid aan de Kunstnijverheidsschool in Berlijn Charlottenburg, en had daar allerlei verschillende technieken geleerd. Ze beschouwde zichzelf eerder als een ingenieur dan als een kunstenaar, omdat ze haar collages als een ingenieur monteerde en construeerde. ‘Het belangrijkste attribuut is de schaar’, aldus Höch, die als kind al collages maakte.
Ze kwam in de zomer van 1926 op uitnodiging van Schwitters naar Den Haag (“Hannah, kom hier. Bij Ebneth is een bed voor je en we hebben hier een geweldige tijd. Kom. Ik moet je ook veel laten zien in Holland.’). In Den Haag aangekomen werd ze verliefd op schrijfster en vertaalster Til Brugman (188-1958), die administratief werk en vertaalklussen deed voor De Stijl en ook bevriend was met veel Stijl-kunstenaars. Brugman had Mondriaan al in 1908 leren kennen op dansles, had op uitnodiging van Schwitters als meewerkend publiek deelgenomen aan de DaDa-veldtocht, en was de Nederlandse vertegenwoordigster van Schwitters’ eenmanstijdschrift Merz. Brugman woonde op een etagewoning in de Ligusterstraat 20, bij de Valkenboskade, en Höch trok bij haar in.
Die woning was met en door Stijl-kunstenaars ingericht. Drie kamers waren geverfd door Schwitters, van Doesburg en Vilmos Huszár. In een vierde kamer hing een schilderij van Mondriaan. In de woonkamer stonden stoelen van Gerrit Rietveld en hingen werken van Schwitters. Eén van de kamers werd ingericht als atelier voor Höch, die ook al snel exposities kreeg, bijvoorbeeld bij de Haagse avant-garde-galerie de Bron (hoek Zoutmanstraat/van Speijkstraat). Deze galerie werd geleid door de vrouw van kunstenaar Chris Lebeau. In 1930 schilderde Lebeau een portret van Hǒch, nu in bezit van het Drents Museum.

Met Hitler’s machtsovername in 1933 veranderde alles. De kunst van Schwitters en Höch werd entartet verklaard. Schwitters ontvluchtte Duitsland in 1937, eerst naar Noorwegen, en na de Duitse inval aldaar naar Engeland, waar hij in 1948 ziek en berooid overleed.
Höch was al in 1929 samen met Brugman teruggekeerd naar Berlijn. Die relatie hield geen stand. Brugman keerde terug naar Nederland, maar Hǒch bleef in Berlijn. Ze ging in ‘innere Emigration’ en slaagde er zo in om daar onopvallend, in afzondering levend in een klein tuinhuis aan de rand van de stad, de oorlog door te komen. Haar eigen werk en dat van anderen begroef ze in grote scheepskoffers in haar tuin. Na de oorlog pakte ze haar kunst weer op. Tegenwoordig wordt ze gezien als één van de belangrijkste Duitse vertegenwoordigers van het modernisme, en heeft ze zelfs een erezaal in de Berlinische Galerie in Berlijn, die ook haar omvangrijke archief beheert. Ze overleed in 1978.
Lajos d’Ebneth tenslotte overleefde de oorlog in onderduik, en emigreerde in 1949 naar Peru, waar hij een gewaardeerd kunstenaar werd. Hij overleed in Lima in 1982.

Afbeeldingen

Verder lezen:

  • Over de Dada-veldtocht in Den Haag is een boekje verschenen van Sjoerd van Faassen en August-Hans den Boef: DaDa Den Haag; van Haagsche Kunstkring tot Haagsche Tramweg-Maatschappij.
  • Over Kijkduin als kunstenaarskolonie verscheen in 2006 Een bezield dorp, geschreven door Pauline Bloemsma en Sjoerd van Faassen.
  • Eveneens over kunstenaarsdorp Kijkduin, met o.a. Kurt Schwitters, Hannah Höch en Lajos d’Ebneth schreef Michiel Morel het artikel Bestemming Kijkduin 
  • Het tijdschrift Bzzletin nr. 229 uit 1995 was gewijd aan Kurt Schwitters
  • Over Kurt Schwitters in Den Haag schreef Marco Entrop een artikel in de Parelduiker nr 4 in 2008: De duivel hale dada
  • Over de relatie tussen Til Brugman en Hanna Höch verscheen een themanummer van Lust&Gratie. Lesbisch Cultureel Tijdschrift (nr. 19, herfst 1988 )
  • Marleen Slob schreef een biografie van Til Brugman: ‘De mensen willen niet rijpen, vandaar’. Leven en werk van Til Brugman (Amsterdam 1994).
  • De woning in de Ligusterstraat zag eruit als een modelwoning van De Stijl. De inrichting van de étage in de Ligusterstraat wordt beschreven in een artikel van Ludo van Halem in een nummer van The Rijksmuseum Bulletin.
  • In de NRC van 21 juli 1978 verscheen een interview van Betty van Garrel met Hanna Höch:
  • De catalogus van een tentoonstelling met werk van Hannah Höch in het MoMa in New York in 1997 is online te bekijken: The photomontages of Hannah Höch (MoMa 1997):

Reacties: bijl23@xs4all.nl