Wandelt u even mee door de Bosjes van Pex? Eigenlijk niet meer dan een lappendeken van sportvelden en recreatievoorzieningen omkranst met kreupelhout. Maar ook in stadsnatuur is van alles te beleven.
Hoor hoe in de treurwilg de griepgors zijn keel schraapt. Ziet u die schorremorries tussen de welig woekerende sleurschurrie wegvluchten? En kijk, daar steekt de giftige kop van een satansboleet boven de dollekervel uit. Alstublieft, een braakbal van de Kokhals, geen zeldzame vondst hier. De mens wordt hier voornamelijk waargenomen op de paden, meestal in gezelschap van de hond. Of twee honden, of vijf. U bevindt zich hier in zeer bezeken en bescheten bosjes waar galbrak, zuring en bitterkribbe dan ook goed gedijen.
We verlaten de bosjes en steken, mogelijk voor het laatst, de Daal en Bergse laan over. Het zwarte asfalt moet namelijk weg. De wethouder heeft liever een rode strook voor fietsers en daarnaast meer bosjes. Auto’s zullen moeten omrijden.
Nu zijn we aan de overkant waar trouwens geen berg is maar wel een dal: het Wapendal. Dit natuurterrein ter grootte van een postzegel is omheind en deels omzoomd door geboomte. Daarachter laat het dal zich slechts vermoeden; intrigerend! Iets verwijderd van dat geheimzinnige dal staan twee dwergpaardjes stokstijf bij het hek. Tijd voor ’n praatje.
“Bevalt ‘t ’n beetje jongens?”
“Ach, erg ruim is ‘t niet maar we zijn geen dravers en er is genoeg te vreten”, briest de iets grotere.
“Ja, zolang we worden bijgevoerd”, monkelt de iets kleinere zuinigjes.
“Jullie zullen wel blij zijn met de plannen van de wethouder?”
“Mag ik even hinniken? Wij fietsen niet en die auto’s rijden gewoon langs de andere kant. Ons maakt ’t niet uit, laat ze maar knutselen.”
De iets kleinere knikt hevig: “Ze doen maar. Het zal ons onder de staart klonteren!” Hij neigt het hoofd en graast ’n plukje schampercanaille.
Een schreeuwerik schreeuwt. De chipolata schatert en laat iets vallen.
Bert de Croon



