Bewoners van ReVa Groen en Duurzaam Cultuur, Sport en Religie Zorg, Hulp en Welzijn Veiligheid en Verkeer Wonen, Leren en Werken Gemeente en Politiek Geschiedenis van ReVa

Het eerste consultatiebureau van Nederland in de Regentesselaan

weimarchief logoHet is 125 jaar geleden dat de Haagse arts Broer Pieter Bernard Plantenga het eerste consultatiebureau (zuigelingenkliniek) in Nederland de deuren opende aan de Regentesselaan 94. Plantenga werd in 1870 geboren in Den Helder en verhuisde naar Den Haag waar hij als middelbare scholier op het Gymnasium Haganum terechtkwam. Op zijn tussenrapport uit 1884 stond te lezen “gaat voor arts studeren”. En zo geschiedde.

Tijdens zijn studie medicijnen in Leiden kwam hij in aanraking met de hoge sterfte onder zuigelingen en de slechte medische kennis van de zuigelingenzorg. Vooral een tragische gebeurtenis, waarbij een tweeling van zeven maanden die hij onder zijn hoede had het leven liet, greep hem aan. Als assistent van dr. Willem Nolen verstrekte hij op kleine schaal gesteriliseerde melk aan moeders naar het Franse voorbeeld van Goutte de Lait.  Deze organisatie, opgericht in 1894 op initiatief van Dr. Léon Dufour, verdeelde gesteriliseerde melk onder moeders die hun kind geen borstvoeding konden geven. Verder gaf deze organisatie de moeders kinderopvoeding en lessen in hygiëne.

Na een promotieonderzoek in het Duitse Freiburg, naar de waarde van het voedingsklysma, vestigde Plantenga zich in 1899 met zijn vrouw Cornelia Kroesen in de Weimarstraat 84.  Het echtpaar kwam er te wonen naast de naast de bekende pedagoge en feministe Elise van Calcar-Schiotling (1822-1904). De huisartspraktijk van Plantenga bevond zich op de Regentesselaan 270 en vanaf 1905 aan de Laan van Meerdervoort 166. Ook in Den Haag werd hij geconfronteerd met een hoge zuigelingensterfte. In de praktijk deelde hij op kleine schaal gesteriliseerde melk uit die door zijn vrouw Cornelia voor de doodzieke patiëntjes bereid werd. Al snel waren er een dozijn patiëntjes en werd de situatie op die plek onhoudbaar. Plantenga huurde vervolgens een benedenverdieping aan de Regentesselaan 94 (naast de toenmalige Regentessekerk) ‘tot tijdbesparing in de onmiddellijke nabijheid van mijn woning’. De woning uit 1893 bevatte een wachtkamer, onderzoekkamer en een keuken voor de melkbereiding.

Zijn doelgroep was armlastige moeders die geen borstvoeding konden geven. De nadruk in de kliniek lag op regelmatige controle van de gewichtstoename en de ontwikkeling van het kind. Moeders kwamen er dagelijks hun baby wegen en flesjes melk voor de volgende 24 uur ophalen. De melk werd bereid met behulp van Soxhlet-apparaten. Koemelk voor zuigelingen werd aangepast door een urenlang steriliseringsproces. Vuile luiers dienden als bewijs dat de zuigeling daadwerkelijk de voorgeschreven hoeveelheid had gedronken. Het bureau nam alleen kinderen die poliklinisch behandeld konden worden. Ernstig zieke kinderen werden verwezen naar de algemene ziekenhuizen.

Een grote stimulans voor de Haagse zuigelingenzorg was de eind 1902 opgerichte Centrale Vereeniging tot Bescherming van Zuigelingen die bestrijding van de hoge kindersterfte als belangrijkste doel had. Er werd door hen aan het Oranjeplein 40 in Den Haag een consultatiebureau ingericht. Net als aan de Regentesselaan werden hier cursussen op het terrein van de zuigelingenzorg voor moeders georganiseerd. Voorzitter van de Vereniging en behandelend arts aan het Oranjeplein was Johannes Baptista Antonius Maria van den berg (1868-1952).

Vereeniging Zuigelingenkliniek
In 1903 verloor Plantenga een beroep bij de belastingdienst om zijn praktijk vrij te stellen van belastingen. Als argument gebruikte de belastingdienst dat zijn initiatief van particuliere aard was waarbij het niet was uit te sluiten dat er winst gemaakt zou worden. Deze tegenslag kwam hij snel te boven; opschaling van zijn kliniek was noodzakelijk. Begin 1905 vergaderde een comité onder voorzitterschap van Plantenga in hotel De Twee Steden aan het Buitenhof 120 (het huidige Pathé Buitenhof) en daar zag de vereniging het licht. Het persoonlijke initiatief ging verder als Vereeniging Zuigelingenkliniek. Met financiële steun van donateurs kreeg hij een hypotheek voor de aankoop van de panden 18-20 aan de Regentesselaan. Op die plek werd een kliniek ingericht naar voorbeeld van de polikliniek van dr. Neumann in Berlijn. In het bestuur werd zijn Leidse leermeester prof. Willem Nolen benoemd als erevoorzitter en de bekende kinderarts Henriëtte Schagen van Soelen was op de achtergrond een belangrijk adviseur. Naast verpleegsters waren er vrijwilligsters die ‘geheel belangloos tijd en krachten geven voor het goede doel’. Het consultatiebureau zat op nummer 20. Op de bovenverdieping van de panden 18 en 20 kwam de zuigelingenkliniek. Hier waren bedjes voor 22 zuigelingen.

Melk en luiers voor de moeders om naar huis te nemen, Jaarverslag Zuigelingenkliniek 1906
Baby in een van de bedjes op de 1e etage, Jaarverslag Zuigelingenkliniek 1906

In de keuken werd op acht Soxleth-apparaten het eten bereid door vier verpleegsters. De gesteriliseerde melk werd geleverd door Melkinrichting De Landbouw die dat betrok van een speciale boerderij. Het is goed mogelijk dat de levering plaatsvond vanuit de Landbouw vestiging aan de Beeklaan hoek Stephensonstraat. Deze vestiging, gesierd met een fraai tegeltableau van plateelbakkerij Roosenburg, was daar sinds 1904 gevestigd. Plantenga en Dr. Rodolph de Josselin de Jong 1868-1958, een beroemd geworden patholoog, deden jarenlang de scheikundige en bacteriële controle van de melkproducten van De Landbouw.

Dankbetuiging van de ouders van een overleden baby, Haagse Courant 1907

Bij de opening van de praktijk op 28 september 1905 memoreerde Plantenga dat onkunde en armoede nog steeds de grootste belemmeringen waren voor goede voeding en verpleging van de jonggeborenen. In het eerste jaar werden er 228 kinderen ingeschreven die per dag 400 voedingen kregen. Dertien kinderen kwamen naar de kliniek van buiten Den Haag waaronder Haarlem, Leiden en Rotterdam. Gezonde kinderen kwamen mondjesmaat in de kliniek, terwijl men dit uit preventief oogpunt wel graag wilde. Van de 228 kinderen waren er slechts 8 gezond.

Financiële steun
Het openhouden van de kliniek bleek een lastig te leggen financiële puzzel. Plantenga had tal van onkosten zoals het personeel, de kostbare inrichting, verwarmingskosten, voeding, wasserijen en de hypotheek. Inkomsten vanuit de ouders waren beperkt. Zij betaalden naar vermogen. Tal van particulieren werden ingezet om de kosten te dekken waaronder de koninklijke familie en vermogende obligatiehouders zoals Anton Frederik Philips uit Eindhoven. Ook werd er geld opgehaald door musici en toneelgezelschappen met optredens in het Kurhaus en Pulchri en door de betalende bezoekers van park Zorgvliet.

Fancy Fair in Pulchri voor de zuigelingenkliniek, Het Leven 1912

Structureel was er echter geld nodig van de gemeente. In 1910 besloot de gemeente na een verzoek van Plantenga tot een jaarlijkse subsidie van fl. 2.000 voor onbepaalde tijd. Met de groei van de kliniek in de latere jaren bleek dit model echter onvoldoende en de particuliere steun was niet toereikend. Er werd een nieuw beroep gedaan op de stedelijke overheid. Plantenga stelde voor dat de gemeente de dagelijkse verpleging per patiënt, die fl. 1.70 bedroeg, overnam met als maximum een bezetting van 22 bedden. De overige kosten waren voor de vereniging. Hij berichtte het college, onder leiding van burgemeester Herman Adriaan van Karnebeek, dat als deze financiering er niet kwam hij ‘tot groot leedwezen… de inrichting moest sluiten’. Wethouder Hubert de Wilde (Anti Revolutionaire Partij) deed een tegenvoorstel van maximaal fl.1.50 financiering. De rest moest van particulieren komen. De vereniging ging alleen akkoord met dit bedrag als er daarnaast een aparte subsidie kwam voor de aanschaf van de melk. Voordat er hierover een patstelling kon ontstaan, kwam het SDAP- lid Leendert Hoejenbos te hulp. Hij stelde in de raad voor de oorspronkelijke aanvraag te aanvaarden. De Haagsche Courant steunde dit initiatief, prees Plantenga om zijn zuinigheid, maar benadrukte bovenal het enorme belang van het werk voor de gemeenschap. Opheffen van de kliniek zou een ramp zijn. Het amendement van Hoejenbos zorgde voor een schisma in de raad over de verantwoordelijkheid van de gemeente. Het katholieke raadslid Adriaan van Vuuren sprak zijn sterke steun uit voor particuliere steun en wethouder De Wilde hield vast aan zijn uitgangspunt. De motie Hoejenbos, de latere directeur Sociale Dienst, werd echter in maart 1914 met grote meerderheid aangenomen. De kliniek was gered. In dat jaar konden er al 624 kinderen terecht in de praktijk.

Andere welkome financiële steun kwam er van een vermogende anonieme sponsor. Deze gift zorgde ervoor dat er in 1916 op nummer 20 een uitbreiding van de kliniek van bijna 12 meter in de tuin gebouwd kon worden. Architecten waren Anthonie Pieter  Smits (1881–1957) en Hendrik Fels (1882–1962). In 1903 richtten zij hun gezamenlijke bureau op en mogelijk waren ze betrokken bij de inrichting in 1905. Hun samenwerking duurde tot 1920, waarna beiden zelfstandig verdergingen.

Uitbreiding van de taken en einde van de kliniek
In 1922 legde Plantenga vanwege zijn drukke werkzaamheden het directeurschap van de Zuigelingenkliniek neer. Wel liep hij er nog dagelijks zijn ronde. Directeur werd de kinderarts Laurent Thiange (1884-1944) die zijn eigen praktijk had aan het Sweelinckplein 231. In de loop der jaren werden onder zijn leiding en vooral die van zijn opvolger Susanna Maria Catharina (Suze) van Veen (1894-1964) de taken breder en professioneler van aard. Van Veen was een energieke kinderarts die eind jaren ’20 acht zusters en meerdere administratieve krachten aanstuurde. Er kwamen pedagogische cursussen en in 1927 werd een dependance van de kliniek bij de zogeheten controlewoningen geopend. Deze controlewoningen waren in de periode 1921-1923 speciaal gebouwde sociale woningen voor ‘ontoelaatbare’ gezinnen, gericht op strikte controle en beperkte bewegingsvrijheid. Een jaar later volgde uitbreiding met de opname van kleuters aan de Regentesselaan. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1940 gaat Plantenga, dan 70 jaar, met pensioen en verhuist naar De Steeg, aan rand van de Veluwe. Als cadeau ontving hij een schilderij van Roeland Koning (1898-1985). Van stilzitten kwam het niet. Hij bleef actief als erevoorzitter en stichtte drie consultatiebureaus op de Veluwe.

Een rij van wachtende moeders in 1931, Delftse Courant

In de oorlogsjaren werd de kliniek beproefd maar bleef geopend. Onder de nieuw ingeschreven zuigelingen in de zomer van 1942 bevond zich mijn vader Peter de Leeuwe Hij had als baby last van maag- en darmstoornissen. Ook zijn moeder, Louise Adrienne van Heel, was wegens deze kwaal als dreumes in 1909 een dagelijkse gast geweest in de kliniek. In de oorlog waren er veel meer huisbezoeken dan voorheen. Alleen in 1942 waren dat er 3357. Gedurende de loop van de oorlog ontstonden er problemen zoals onvoldoende vitamine C inname door gebrek vruchten en vruchtensappen. Directrice Van Veen verhuisde in 1943 haar praktijk als kinderarts van het Statenkwartier naar de Beeklaan 478. Ze werd echter op het einde van dat jaar ziek en kon tot voorjaar 1946 niet werken. Vanaf de herfst van 1944 werd de kliniek zwaar op de proef gesteld. In de hongerwinter was er een tekort aan alles. De laatste oorlogsmaanden was er geen gas en elektra meer, essentieel voor couveuses, de badkamer en flessenverwarming. Men behielp zich met potkacheltjes en kaarslicht. Veel steun kreeg men van de Nutriciafabriek in Zoetermeer (‘Baby’s als wolken door Nutricia’s kindervoeding’ was een slogan van dit bedrijf in 1943). De slagschaduw van de hongerwinter was groot. In de eerste maanden van 1945 overleden er 52 kindjes waarvan 20 in de bevrijdingsmaand.

Zuster met patiëntje in 1954, Nationaal Archief
Het consultatiebureau in 1954. De bedjes op de 1e etage zijn zichtbaar, Nationaal Archief

Na de oorlog werd het takenpakket nog groter. Vanaf 1957 gaan de consultatiebureaus ook de inentingen van het Rijksvaccinatieprogramma uitvoeren. Op kosten van de overheid kunnen kinderen ingeënt worden tegen twaalf infectieziekten, waaronder kinkhoest, mazelen en rodehond.

Broer Plantinga en Suze van Veen tijdens het 50-jaar jubileum van de Zuigelingenkliniek in 1951, Haags Gemeentearchief

Nog later werden consultatiebureaus onderdeel van bredere jeugdgezondheidszorg met volop samenwerking van huisartsen en wijkverpleegkundigen. In de opschaling van de gezondheidszorg gaat de kliniek namelijk op in het Groene Kruis. De taken worden daardoor uitgebreid met gezinsverzorging, huishoudelijke diensten, wijkverpleging en bejaardenzorg. Huisnummer 18 verloor daarbij zijn functie. In de jaren 1963-1967 was het Algemeen Bureau voor de geestelijke volksgezondheid er gevestigd, waarna de woning werd verkocht aan de NV Handelmaatschappij Vermolen. Nummer 20 werd zeer grondig verbouwd tot een moderne kliniek. Tijdens de opening op 6 september 1965 werd er in het gebouw een plaquette onthuld door Alida Plantenga (1901), dochter van de oprichter en zelf jarenlang werkzaam in de kliniek. De plaquette, waarin Broer Plantenga en Suze van Veen geëerd werden, ging jaren later over naar de huidige bewoners van nr. 18: Ubbo Dijk en Sabine van Leeuwen.

De plaquette uit 1965 die onthuld werd door Alida Plantenga, foto Just de Leeuwe

Jarenlang bleef de consultatieafdeling aan de Regentesselaan 20 het populairste van alle 21 Groene-Kruisvestigingen. In 1988 sloot de kliniek op nummer 20 haar deuren om plaats te maken voor nieuwe bewoners.