Net voor de eeuwwisseling haalde de Agneskerk de nationale kranten en verkreeg haar moment van ‘fame’. 128 Zogenaamde ‘witte illegalen’ kregen eind november 1998 onderdak in de kerk en gingen in hongerstaking omdat ze geen verblijfsvergunning kregen: ‘We waren welkom om te werken, maar niet om te leven’, zo vatte een van hen samen.[i] Pastoor Bosco Beijk stelde de kerk namens de parochie beschikbaar voor deze maatschappelijke actie.

Beijk was vernoemd naar Don Giovanni Bosco (1815-1888). Deze Italiaanse priester trok zich het lot van de ontwortelde arbeidersjeugd aan. Hij wilde hen onderdak en scholing bieden opdat ze konden uitgroeien tot geschoolde arbeiders, goede burgers én oprechte christenen. Die naamgeving moet Beijk (1953) hebben geïnspireerd. Hij werd in 1988 tot priester gewijd en kort daarop benoemd tot pastoor van de Agnesparochie. Het was nog maar enkele jaren na de beruchte brand van 1983, die de gewitte kerk van haar dak beroofde. De inmiddels gerenoveerde Agnes werd onder zijn leiding de meest bezochte parochie van de stad. ‘Bijna elf jaar geleden, toen ik daar begon, was de wijk rondom de Beeklaan blank en autochtoon. De eerste Nigeriaanse jongen meldde zich aan toen ik er net werkte. Hij nam vrienden mee. Toen kwamen in 1992 tijdens de Golfcrisis christelijke Irakezen. Dat is uitgegroeid. Het is ongelooflijk hoeveel nationaliteiten er in de wijk wonen en naar de kerk komen. Natuurlijk waren er wel eens wrijvingen, maar we kregen er veel voor terug’, aldus in 1998 de pastoor, die zich beriep op Jezus, voor wie ook iedereen gelijk was. ‘Een volle kerk vind ik niet het belangrijkste. Je moet een gemeenschap zijn. En dat is de Agnes. Dat er tweehonderd mensen actief zijn, tekent dat. Mensen kennen elkaar bij naam en weten van elkaars situatie.’ Beijk voegt er nu aan toe: ‘Het was een actieve kerk. Er waren drie koren. En er was een grote groep, die schoon maakten’. [ii]
Bevrijdingstheologie
De pastoor sprak over zijn bijzondere kerkgangers als ‘eerlijke arbeiders’, die men goed moest behandelen. Hij zei erbij: ‘Ik word er zo socialistisch van’… Ter goed begrip: Het was een tijd waarin de bevrijdingstheologie in zwang was geraakt. Vele priesters plaatsten zich achter de strijd van armen en onderdrukten. Een voorganger van deze beweging was bisschop Oscar Romero. Die zag de kerk als een gemeenschap, die zich, op grond van het evangelie, uitsprak voor sociale gerechtigheid en mensenrechten. Romero werd in 1980 door het rechtse, dictatoriale regime in El Salvador vermoord.
Beijk vertelde dat de actie begon toen enkele Turkse vrouwen hem over de kwestie benaderden. Die vrouwen kenden hem omdat hij in het wijkoverleg van joden, moslims en christenen participeerde. De opzet ervan was de leefbaarheid in de wijk te verbeteren. ‘Ik zei: neem jullie mannen mee. We hebben een paar keer met een groep mannen gepraat. Later hebben we twee avonden in de kerk georganiseerd met parochianen. Ik ben het gezicht van de parochie maar ik kan natuurlijk niet alles in mijn eentje beslissen, het is hun kerk. Alleen de kosters waren tegen kerkasiel want die vreesden dat het net voor de Kerst een troep zou worden. We wilden alles registreren. We boden alleen kerkasiel aan mensen, die konden bewijzen dat ze gedurende de afgelopen jaren wit hadden gewerkt, een sofinummer hadden en een paspoort. De brieven stroomden binnen. We hadden een commissie van juristen, kerkgangers en vrienden, die de brieven beoordeelden. Het waren 80% Turken, die vooral in het Westland werkten. Daar werd toen wit betaald. Dat kwam dus goed uit.’ Beijk vervolgt: ‘We hadden ook een groep artsen. Twee huisartsen uit de buurt, enkele artsen uit het Westeinde en een psycholoog voor als iemand het moeilijk kreeg.’ Beijk ten slotte: ‘We hebben spelregels afgesproken. We zouden de mannen voorzien van bouillon. Ze mochten niet stiekem eten. Dat zou de actie ondergraven. Ze moesten dat duidelijk maken aan hun vrouw en kinderen, die wekelijks een keer konden komen. Ze sliepen in de kerk. Voor de viering werden de matrassen aan de kant geschoven.’ De conciërge van de kerk kon de bezoekjes van familie met moeite aanzien: ‘Die zien hun man en vader achteruitgaan.’[iii]
Beijk had de steun van de parochie en het parochiebestuur: ‘Natuurlijk waren er tegenstanders maar 95% van de parochianen stond achter ons. Bij de avonden bleek een grote sympathie. Mensen voelden zich betrokken en niemand liep weg. Vice-voorzitter Jan van Aerde viel voor me in als ik niet kon. En we hadden priesters, die mijn kerkelijke taken konden waarnemen.’ Dat Beijk niet alleen stond bleek bijvoorbeeld uit het feit dat plaatselijke middenstanders hem 140 rozen schonken. Een winkelier van de Beeklaan bood beddengoed aan. De matrassen voor de onverwachte gasten werden gedoneerd door het Rode Kruis.’[iv] Een oud-geestelijke, die hem van jongs af aan kende benadrukte de persoonlijke inbreng van Beijk: ‘Hij houdt er geen veilige, risicoloze weg op na.’[v] De stakers wisten zich ook gesteund door vele juristen en maatschappelijke organisaties waaronder het FNV. Tevens was er het actie- en solidariteitscomité Plus 6 min 6. Dat pleitte voor een ‘humane interpretatie’ van de voorwaarden voor een verblijfsvergunning.[vi] Tientallen werkgevers, die soms door ambtenaren werden benaderd met de boodschap om geen witte illegalen meer in dienst te nemen, stelden zich op achter hun werknemers en organiseerden in december een werkonderbreking uit solidariteit.
Ik had zelf gewerkt aan het laatste stadsvernieuwingsplan Regentesse-Zuid. Grote delen van de Beeklaan aan de kant van de kerk werden gesloopt, van het beoogde nieuwbouwprogramma kwam niets terecht. De straat begon te verpauperen. Ik voelde me zeer betrokken bij de buurt. Ik ging op een mistroostige herfstavond langs. Het voelde als aapjes-kijken. Na een financiële bijdrage verdween ik weer in de nacht wetend dat ik aan solidariteit op dat moment geen gestalte wist te geven…
Een sofinummer en het gebruik van de voorzieningen
De meeste mannen, die zich verschansten in de Agneskerk, waren jaren geleden illegaal het land binnen gekomen, toen het nog gemakkelijk was om hier te komen werken. Nederland stond het oogluikend toe. Immigranten konden een sofinummer krijgen, en daarmee bijna alle uitkeringen die andere inwoners ook hebben: kinderbijslag, de mogelijkheid zich tegen ziekte te verzekeren of een uitkering als men zonder werk kwamen te zitten. Men kreeg echter geen permanente verblijfsvergunning. Mensen kon hier ondertussen een leven hebben opgebouwd en ‘ingeburgerd’ zijn maar toch liep men het risico terug te worden gestuurd… Dat gebeurde ook echt. De kwestie van witte illegalen werd niet toevallig ook geduid als de ‘zaak Gümüs’.
Gümüs was een Amsterdamse kleermaker van Turkse afkomst. Hij had in 1994 om een verblijfsvergunning gevraagd op basis van de toen geldende regeling dat men zes jaar ononderbroken inkomen uit arbeid had verkregen tussen 1 januari 1992 en 31 december 1997, waarvan premies en belastingen waren betaald. Er was sprake van een minimum van 200 gewerkte ononderbroken dagen per jaar over de periode; ofwel minimaal vier dagen per week. Gümüs voldeed niet aan die minima, ook niet over de op 15 maart 1995 ingestelde voorwaarde van drie jaar werken van 1992-1994. Een rechtbank bevestigde de afwijzing door het Rijk. Ondanks vele steunbetuigingen, werd Gümüs met zijn gezin in september 1997 daadwerkelijk teruggestuurd naar zijn geboorteland.
De kwestie van de witte illegalen speelde tijdens de twee paarse PvdA-VVD-kabinetten van Kok, die regeerden van 1994 tot 2002. In het Verdrag van Maastricht uit 1992, leidraad voor de ontwikkeling van de Europese Unie, was ook afgesproken om illegale migratie te controleren. Tevens moest men het concept van Europees burgerschap ontwikkelen ofwel hoe inwoners van aangesloten landen legaal in andere landen mochten verblijven én werken. De PvdA’er Job Cohen werkt in het eerste kabinet als staatssecretaris van hoger onderwijs maar hij stapte over naar Justitie en werd verantwoordelijk voor asielbeleid. Het oude illegalenbeleid was per 1 januari 1998 verlopen. Cohen werkte aan een zogenaamde Koppelingswet: Als men geen verblijfsvergunning had kwam men niet (meer) aan bod voor al die andere voorzieningen, waar men soms jarenlang voor had betaald. Van semi-legaal werd men opeens illegaal!
Boris Dittrich (D66) en Nebahat Albayrak (PvdA), dochter van een Turkse gastarbeider, vroegen op 25 juni 1998 aan de staatssecretaris om aanvragen voor legalisering ‘ruimhartig’ te beoordelen. Het comité Plus 6 min 6 kwam met talloze voorbeelden van hoe de ambtenarij de regels kleinzielig en bekrompen uitlegden.[vii] Hij werd gevraagd om zijn zogeheten discretionaire bevoegdheid in te zetten bij ernstige ziekte, invaliditeit of het verzorgen van schoolgaande kinderen. Beijk onthult dat Cohen contact met hem heeft gezocht en dat ze diverse keren met elkaar hebben gesproken. ‘Hij zei: kunnen we praten? Hij kwam de kerk via de zijingang binnen. Er was geen pers bij. Hij was in het begin star. De hongerstakers waren enorm dankbaar dat hij interesse toonde. Hij heeft ook de eerste dossiers van ons aangenomen.’
Onbedoelde bijzondere hardheid
De Haagse hongerstaking in november 1998 leidde tot de erkenning dat de regeling uit 1995 ‘schuurde’. De staatssecretaris erkende dat de regeling kon leiden tot ‘onbedoelde bijzondere hardheid’. Langdurige verblijfduur, medische aspecten, gezinsomstandigheden en andere factoren van humanitaire aard konden inderdaad reden zijn om iemand toch toe te laten. Zijn Tijdelijke Regeling Witte Illegalen behelsde dat mensen twee maanden, van 1 oktober tot 1 december 1999, de tijd kregen om een aanvraag te doen voor een verblijfsvergunning. De IND, de Immigratie- en Naturalisatie Dienst, zou die aanvragen toetsen aan de volgende criteria: vanaf 1-1-1992 woonachtig in Nederland, beschikkend over een sofinummer tussen 1 januari 1992 en 1 juli 1998, dus iets verruimd, een geldig paspoort, geen valse documenten of onjuiste gegevens verstrekt hebbende en geen criminele antecedenten. De goedgekeurde aanvragen zouden voor advies worden voorgelegd aan commissies van burgemeesters. Die zouden kijken of er sprake was van inburgering, taalbeheersing, rekening houdend met analfabetisme, maar ook naar sociale contacten alhier en of men zorgde voor schoolgaande kinderen, die logischerwijs hier hun leven opbouwden. Vervolgens zou de staatssecretaris besluiten.[viii]
Na vele acties en inspanningen van illegalen en solidaire organisaties waren er duizenden aanvragen ingediend.[ix] De IND had daarvan maar een klein deel voldoende bevonden en doorgestuurd naar genoemde commissies van burgemeesters. Die konden iemand oproepen voor een gesprek. In Amsterdam en Den Haag moesten illegalen eerst nog een vragenlijst van enkele tientallen vragen beantwoorden. Een belangrijk struikelblok in de regeling bleek voorwaarde dat men tussen 1 januari 1992 en 1 juli 1998 bij het stadhuis moest ingeschreven staan. Anderzijds werden bewijzen, zelfs van uitkeringsinstanties, niet geaccepteerd.
Op 2 februari 1999 bleek dat Cohen slechts een handvol aanvragen voor een verblijfsvergunning had gehonoreerd! De hongerstaking in de Agnes werd na negentien dagen afgebroken.[x] De bisschoppen in Nederland hadden de illegalen per fax opgeroepen om hun hongerstaking te beëindigen… Beijk was daar niet blij mee. Hij vond dat de bisschoppen eerst op bezoek hadden moeten komen voordat ze over de actie oordeelden, want ze wisten niet eens wie de actievoerders zijn. ‘Ik kan me van Jezus geen fax herinneren, wel dat hij naar de mensen toeging‘.[xi] De krant introduceerde enkele van de stakers zoals Düzgün Islek, toen 34: ‘ Mijn dochters van 11 en 8 willen absoluut niet terug naar Turkije. Ze zitten hier op school, hebben Nederlandse vriendjes. Ons hele gezin is geïntegreerd. Natuurlijk denk ik regelmatig terug aan Turkije, maar ik wil niet terug.’ Ismael Deniz, ook 34 toen: ‘In 1990 en 1994 ben ik een maand terug gegaan, maar dat hield ik niet vol. Ik ken mijn eigen stad niet eens.’ Hij voegde er ten slotte aan toe: ’Ik dacht dat het met de mensenrechten hier wel goed zat.’ [xii]
De dag na beëindiging van de actie hebben de stakers de kerk opgeruimd. De kosters blij. Met de kerst zag de kerk er piekfijn uit.’ De ‘slavenopstand’ werd echter voortgezet. Een dag na Cohens uitspraak gingen in Amsterdam 15 Turkse vrouwen en 36 Marokkaanse mannen in hongerstaking en zouden dat 36 dagen volhouden. Beijk: ‘Ik ben later een aantal stakers op de markt tegen gekomen. We zijn, jawel, gaan eten. Die mensen waren enorm dankbaar dat ze hun verblijfsvergunning hadden gekregen.’
Van de ‘witte illegalen’, die buiten de boot vielen, zijn later alsnog vele schrijnende gevallen gelegaliseerd. Men moest zich voor 18 maart 2005 melden. Velen hadden dat echter niet gedaan. De regeling zag er kennelijk uit als een voor asielzoekers en men had simpelweg niet door dat die ook gold voor ‘witte illegalen’… Het wanbegrip van de officiële orde hoe het is om te leven in de semi-illegaliteit werd hierdoor weer gedemonstreerd over de ruggen van de illegalen![xiii]
Hoe ging het verder met Beijk
Beijk bleef langer aan dan gebruikelijk. Hij vertrok na afloop van de ‘witte illegalen’-actie in 1999. ‘Het bisdom heeft me na de actie een vakantie aangeboden.’ Hij wilde zelf weg. Hij begreep dat met de teruglopende belangstelling maar een beperkt aantal parochies in het Haagse open kon blijven, ook al was de Agnes-parochie, door de toeloop van onder meer Spaanstaligen, gegroeid. Hij zou voor het bisdom een plan maken voor een groot intercultureel pastoraat in het Haagse centrum. Hij ging echter door als ziekenpastor bij diverse Haagse ziekenhuizen: ‘Toen had ik een echte salarisstrook en kon ik me een eigen huis permitteren.’

Hij concludeerde destijds, na afloop van de actie: ‘Het succes van de actie is dat witte illegalen een begrip zijn geworden. Nu moet het nationale debat op gang komen, waarin we schuldbesef tonen. Want de overheid heeft nooit aan immigratiebeleid gedaan. Het is allemaal veel te ad hoc. We laten illegalen door Nederland zwerven. Daar moeten we met zijn allen heel goed over nadenken.’ Hij wees er op dat de zwerftocht van illegalen van kerken naar moskeeën voortduurde en dat baarde hem zorgen: ‘Je merkt dat mensen verknipt raken van langdurig actievoeren.’[xiv]
Beijk verzorgt nog steeds kerkdiensten. Nu terugkijkend zegt hij: ‘Het waren toen nog niet zulke grote aantallen…’ Van het door hem gewenste debat is niet veel terecht gekomen. Je ziet dat pas recent serieuze aandacht ontstaat voor de problematiek van buitenlandse arbeiders zoals misstanden bij hun betaling en arbeidsvoorwaarden. Tevens onderkent men nu nadelige effecten van de komst van deze instromers, versterkt door de toevloed van internationale studenten, die tegen exorbitante huren een plek moeten zoeken in particuliere woningen in kwetsbare wijken. Dat beperkt, mede gezien de geringe bouw van huizen, de kansen op huisvesting van Nederlandse bewoners én het leefplezier van achtergebleven oudere bewoners. Die kunnen immers geen praatje maken met de nieuwkomers en geen hulp vragen…
In 2020 adviseerde de commissie Roemer dat aan grove misstanden bij werk en huisvesting van arbeidsmigranten een einde moet worden gemaakt. Indien arbeidsmigranten belangrijk zijn voor onze economie dan moet men ze ook als gelijkwaardige en volwaardige deelnemers van onze samenleving behandelen. Arbeidsmigranten verdienen dezelfde rechten als Nederlanders bij het zoeken van een woning. Wil men dat niet, gezien het woningtekort, dan mogen werkgevers ze ook niet laten halen. Men mag ze ook niet afhankelijk houden van werkgevers, die kosten voor woonruimte ‘(lees mensonwaardige hokken)’ mogen inhouden op het karige loon. Die situatie wil de huidige VVD-minister van Sociale Zaken Mariëlle Paul, van het demissionaire tweepartijen-kabinet, bestendigen, terwijl haar voorganger Eddy van Heijum van NSC, die juist wilde af bouwen…[xv]
- [i] Katholiek Nieuwsblad van 11-12-1998
- [ii] Citaten, voor zover niet anders geduid, zijn uit een gesprek met Beijk op 12 september 2025
- [iii] Katholiek Nieuwsblad van 11-12-1998
- [iv] Gebaseerd op artikelen in Trouw, waarvan ik de datum niet kon fixeren.
- [v] De Haagsche Courant van 4-9-1999
- [vi] Publicatie actiecomité van 4 december 1998
- [vii] De nadruk werd gelegd op ‘ononderbroken’ zodat seizoenswerkers werden uitgesloten, zo ook mensen, die in een van de zes jaar onder de 200 dagen hadden gewerkt en de overige vijf er ruim boven. Dat gold ook voor mensen die, indien 1998 werd meegerekend, wel aan die zes jaar voldeden. Tenslotte werden mensen afgewezen, die hun verzoek voor een verblijfsvergunning enkele dagen te vroeg indienden… Zie publicatie actiecomité van 29 november 1998
- [viii] Tijdelijke Regeling Witte Illegalen van 1999
- [ix] Wegens onduidelijkheid over de status van cijfers zijn ze uit de tekst weg gelaten. Er zouden 6000 aanvragen zijn ingediend, de IND zou er 500 hebben goedgekeurd, Cohen zou begin 1999 slechts 13 verblijfsvergunningen hebben verstrekt en tot 2006 zou het om 16.000 schrijnende gevallen zijn gegaan.
- [x] De Haagsche Courant van 4-9-1999
- [xi] Bisschoppen vragen om einde actie in Algemeen Dagblad van 10-12-1998
- [xii] idem
- [xiii] Weblog de laatste ‘witte’ illegalen van Anja Meulenbelt van 29 april 2008
- [xiv] De Haagsche Courant van 22-1-2000
- [xv] Sander Schimmelpenninck in zijn column in de Volkskrant van 10 november 2025
Foto-onderschrift: De hongerstakers en de pastoor, fotograaf Jos van Leeuwen, 1998




Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.