Bewoners van ReVa Groen en Duurzaam Cultuur, Sport en Religie Zorg, Hulp en Welzijn Veiligheid en Verkeer Wonen, Leren en Werken Gemeente en Politiek Geschiedenis van ReVa

Mensje van Keulen en de Agneskerk

Tekst: Gerard van der Bijl Foto: Anneke de Graaf

weimarchief logoSchrijfster Mensje van Keulen werd in 1946 geboren uit wat toen een gemengd huwelijk heette. Moeder katholiek, vader gereformeerd. “Een heiden dus, volgens mijn oma, voor wie je moest bidden. Oma had bij mijn geboorte gedreigd mijn hoofd eraf te snijden als ik niet katholiek gedoopt werd.” Mensje van Keulen (echte naam Mensje Francina van der Steen) groeide op in de Fultonstraat. Ze was als kind een trouwe bezoekster van de Agneskerk, die dan ook op verschillende plekken in haar boeken opduikt.

‘Jezus in de uitverkoop’

Het citaat over haar oma komt uit het verhaal Jezus in de uitverkoop, waarin ze schrijft over Kerstmis 1958. ’s Avonds, na het eten, moest er eerst nog gebiecht worden “want dat hoorde bij Kerstmis”. “De zijbanken zaten vol zondaars. Je moest aansluiten en elke keer als er iemand de biechtstoel verliet, schoof je een plaatsje op tot je op de eenpersoons fluwelen stoeltjes knielde en je bijna aan de beurt was. Op dat ogenblik kreeg ik altijd buikpijn. Een groet fluisterend, betrad ik het hokje en tuurde door het betraliede raampje naar de schim erachter, die op mijn zonden af en toe terug fluisterde: ‘Foei,’ of: Sterk zijn.’ Tot slot zei die: ‘Bid de oefening van berouw.’ En ik bad en raakte, zoals altijd, de zinnen kwijt en ging verder van mummummummel. Hij verstond het toch niet, omdat ie bezig was de Latijnse vergiffenis voor mij aan te vragen. ‘Bid drie Onzevaders en twee Weesgegroetjes.’ Ik bedankte, ging de biechtstoel uit en liep naar voren.” Bijna huppelend verlaat ze de kerk. Om een uur of elf worden de zondagse kleren aangedaan.
“Na de eerste klokslagen trokken we onze jassen aan en gingen op weg. De nacht leek warm. Er liepen veel mensen, de lichten in de huizen brandden, de feestverlichting op straat was nog aan.” Eenmaal in de kerk moet ze denken aan haar goddeloze vriendjes en vriendinnetjes in de straat, en wordt verdrietig voor ze “want het orgel was zó mooi, dat Jezus wel móést bestaan”. De kerk zat stampvol. “Bij de consecratie was de kerk doodstil en na de laatste gongslag merkte je hoe vol het was. Dan barstte er een gigantische hoestbui los.” De titel van het verhaal verwijst naar de beeldjes uit de kerststal die tante Miep vlak na Kerst in de uitverkoop voor de helft minder op de kop tikt.

‘Olifanten op een web’

Als tiener begint Mensje te twijfelen aan het bestaan van God. Ze zit in de kerk en vraagt om een teken. “Zeg me wat ik moet doen, God. Ik wacht. Ja. Kind. Kom. Amen. Goed. Ieder woord is toegestaan. Ik wacht. Weet u wat ik anders van plan ben? Misschien is het wel een doodzonde. Misschien kunt u me daarom beter een roeping geven. Ik heb er alles voor over om in het klooster te gaan als het moet, ik wil er alles voor verlaten. Maar alleen als u het zegt. Eén woord maar. (..) Wat is nou één woord? Eén woord tegenover alle keren dat ik ter communie ben gegaan, gebiecht heb, voor u gezongen en gebeden heb, al die weesgegroeten en onze vaders, de kralen van de rozenkrans tussen mijn vingers door. Maria. Moeder van God. Op uw voorspraak dan. De laatste keer dat u bent verschenen was aan Bernadette, die misschien wel niet goed bij haar hoofd was. U hoeft niet te verschijnen. Eén woord maar. Vraag uw zoon om één woord. Ik wacht. Zeg hem dat ik anders niet meer geloof, dat ik moe word van piekeren en twijfelen, dat ik het zat ben om nooit antwoord te krijgen. Waarom is alles zoals het is en niet beter. Waarom voel ik me zoals ik me niet voelen wil. Ik wil plezier. Ik wil slecht. Ik ben vast slecht. Ik ben vast slechter dan iedereen. Ik wil dat iedereen van me houdt. Ik wil weten of hij bestaat. En als hij verlangt dat ik het klooster inga, vind ik het best. Eén woord en ik geloof. Als het waar is dat de duivel de mensen heeft ingefluisterd dat hij niet bestaat, dan is het toch een fluitje van een cent om die woorden er weer uit te blazen. Of alleen een woord te zeggen. Hij hoeft het woord niet te zeggen, hij zou het kunnen laten verschijnen op het laken dat over het altaar hangt. Alleen maar ‘kom’ of ‘ja’. Ik wacht. Geef desnoods een teken, God. Laat dan bijvoorbeeld het tabernakel een seconde verblindend schitteren. Of laat het laken bewegen. Of laat de godslamp even zwaaien. Het kan ook op een menselijke manier. Laat de koster of wie dan ook langslopen of voor me gaan staan en dat enen woord zeggen. En mijn ziel zal gezond worden. Ik wacht. Laat er iets, iéts gebeuren. Als er niets gebeurt, geloof ik niet meer. Dan zondig ik, want bestaat de zonde niet. Dan bestaat de hel niet, dus ga ik maar naar de hel. Alstublieft. Ik wacht.”
Het liep allemaal anders: Mensje van Keulen volgde haar roeping, maar dan wel een heel andere: ze werd schrijfster, van een inmiddels indrukwekkend oeuvre. Het citaat hierboven komt uit Olifanten op een web, een ode aan haar moeder, geschreven na haar plotselinge overlijden in 1995.

‘Moeder en pen’

Op zondag 1 mei 1983 schrijft ze in haar dagboek (Moeder en pen. Dagboek 1979-1983):
“Vrijdag zei ik tegen Aldo (n.b.: haar vierjarige zoontje), voor hij door ma werd opgehaald, dat hij oma kon vragen om hem de St. Agneskerk te laten zien, waar ik als kind kwam. Er staan veel banken, zei ik, er is mooi gekleurd licht door de ramen, binnen is het heel hoog.
Zaterdag woedde er een grote brand in de kerk.
Vanavond vond ik in de tas met Aldo’s kleren een stukje hout en een krantenfoto van de kerk: het dak eraf, de banken wrakhout. Ik mag dan niet meer naar de kerk gaan, ik kon wel janken.”

Bosco Beijk

Tot slot nog een citaat uit Olifanten op een web. Na het plotseling overlijden van Mensje’s moeder moet in allerijl de begrafenis worden geregeld. Broer Danny vertelt dat hij de pastoor van de Agneskerk heeft gesproken. “Ik zag hem doorweekt van de regen op zijn fiets aankomen, hij was aardig, jong nog, en hij heet Bosco. In de pastorie stond een houten kist en daarin bevonden zich de namen van de parochianen. Ik zag ook die van jou, Men, doorgehaald, maar nog goed leesbaar.”
Met Bosco werd Bosco Beijk bedoeld, die in 1998 landelijke bekendheid zou verwerven met het kerkasiel in de Agneskerk. Daarover een volgende keer.

Reacties: bijl23@xs4all.nl.